Leestijd: 15 minuten
Spionageschool Zorgvliet
In 1943 en 1944 bevond zich in en naast park Zorgvliet in Den Haag een opleidingscentrum van de Duitse geheime dienst, bestempeld als een ‘geheime Reichssache’.
Op bevel van de hoge nazileider Himmler werden in 1942 door de buitenlandse politieke en economische inlichtingendienst van de Sicherheitsdienst enkele scholen opgericht. Deze scholen waren bedoeld om vooral niet-Duitse burgers op te leiden in spionage, radiotelegrafie en sabotage. Na hun opleiding zouden deze burgers worden ingezet in geheime operaties van Nazi-Duitsland in vijandelijk gebied en neutrale landen.
Ook in Nederland moest een school komen, en in Den Haag werd een ideale locatie gevonden waar de school goed verborgen kon worden. Grote delen van de stad waren immers vanwege de aanleg van de Atlantikwall ontruimd, afgebroken en versperd. In het voor militaire doelen afgesloten gebied tussen Den Haag en Scheveningen werd in het ommuurde park Zorgvliet en een aantal ernaast liggende villa’s vanaf begin 1943 begonnen met het inrichten van de school.
Opleiding
Tussen mei 1943 en augustus 1944 werden op ‘spionageschool Zorgvliet’, ook bekend als ‘A-Schule West’ of ‘Seehof’, enkele honderden leerlingen opgeleid. Individueel of in kleine groepen kregen Nederlanders, Belgen, Fransen en Duitsers een opleiding in spionage, radiotelegrafie en sabotage. Een groot aantal Italianen werd in opeenvolgende groepen opgeleid en daarnaast verbleven er voortdurend grote groepen mannen uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Ook enkele Zwitsers, een Ier en zelfs een Amerikaan bezochten de school.
De lesprogramma’s bestonden uit radiotelegrafie, radiotechniek, inlichtingenwerving, kaartlezen en vermommingslessen. De leerlingen leerden ook vechtsporten en paardrijden, en sommigen kregen les in motor- en autorijden, waaronder in auto’s met het stuur aan de rechterkant. Zij werden geïnstrueerd in het schieten met verschillende, voornamelijk Britse wapens. Ook de meeste springstoffen waarmee tijdens de korte sabotagetrainingen werd geoefend, waren van Britse oorsprong. Veel van deze wapens en explosieven waren tijdens het ‘Englandspiel’ boven Nederland gedropt.
De opleiding op ‘A-Schule West’ werd vanuit Berlijn aangestuurd door een scholings- en inzetbureau van de sabotagegroep van ‘Amt VI’, de buitenlandse inlichtingenorganisatie van de Sicherheitsdienst. Veel van de aan dit bureau toegewezen instructeurs waren SS’ers met frontervaring. In hun trainingen op de scholen simuleerden zij situaties die waren gebaseerd op gevechten tegen partizanen in Rusland en op de Balkan. De belangrijkste basis voor de trainingen werd echter gevormd door kennis die was verkregen uit ondervragingen van in Frankrijk, Noorwegen, Polen en vooral in Nederland tijdens het Englandspiel opgepakte vijandelijke agenten. Hun opleiding op Britse spionage- en sabotagescholen, evenals de gespecialiseerde inzet van Britse commando’s met hun sabotageacties achter de linies in Noord-Afrika werd nauwkeurig bestudeerd.
Het hoofd van het scholings- en inzetbureau werkte op basis daarvan trainingsprogramma’s uit voor het opleidingscentrum ‘Friedenthal’ bij Berlijn en de twee andere scholen: ‘A-Schule West’ in Den Haag en ‘A-Schule Südost’ in Servië. Regelmatig reisde hij vanuit Berlin-Friedenthal naar Den Haag, waar hij met hulp van Gestapo-leider Schreieder probeerde meer te weten te komen over de Britse agentenopleidingen van de in Haaren vastzittende ‘Englandspiel-agenten’. Tegelijkertijd gaf hij op de Zorgvliet-opleiding veel van de opgedane kennis door in zijn lessen over spionage- en sabotagetechnieken. Uit de verhoorverslagen van overal in Europa opgepakte agenten werden de Britse opleidingsmethoden steeds duidelijker, waardoor de trainingsmodellen voortdurend konden worden aangescherpt met nieuwe informatie die per telex en koerier werd aangeleverd.
Foto 01: chefinstructeur ‘Jäger’.
Bron: Landesarchiv Berlin
In de eerste maanden van de opbouwfase werd aan de school nog weinig onderwijs in sabotage gegeven. Een volwaardige opleiding was pas na 1 november 1943 mogelijk, toen voldoende instructeurs met explosievenkennis beschikbaar waren. Om de eerste agenten toch de nodige kennis te geven, stuurde de technische ondersteuningsdienst van Amt VI in Berlijn in augustus 1943 twee deskundigen voor een korte cursus explosievenleer.
Op de foto staat een van hen, bekend onder het alias ‘Jäger’. Hij gaf les in verschillende typen explosieven en ontstekers en was gespecialiseerd in barometrische, chemische en mechanische bommen. Hij stelde een lesboek over sabotage samen en beschikte over instructiefilms, onder meer over spoorwegsabotage.
Als chef-instructeur was ‘Jäger’ verantwoordelijk voor de studie van vijandelijke sabotagemiddelen en de ontwikkeling van eigen technieken. Hij reisde hiervoor regelmatig naar Den Haag, Parijs, Riga en Kiev. Ook was hij belast met de sabotage-uitrusting van agenten aan het Russische en later het Westfront en controleerde hij het opleidingspeil in Den Haag.
De duur van de verschillende trainingen varieerde van enkele weken tot meerdere maanden. Een klein aantal leerlingen werd klassikaal of individueel opgeleid in radiotelegrafie. Deze trainingen duurden drie tot zes maanden, waarin de leerling-agent niet alleen werd opgeleid in het verzenden en ontvangen van gecodeerde radioberichten, maar ook voldoende radiotechniek leerde om reparaties uit te voeren of zelf een zendapparaat te bouwen.
De meesten leerlingen werden in groepsverband in korte trainingen van twee tot vier weken geïnstrueerd in sabotage- en guerrillamethodes. Zij leerden te improviseren met kleine, zelfgemaakte bommen en het verbergen daarvan: zogenaamde boobytraps, die pas afgingen na activatie, bijvoorbeeld bij het starten van een auto of het openen van een deur of bureaulade.
Voor het zwaardere werk met springstoffen werd in theorielessen behandeld hoe bij het selecteren van doelen, zoals elektriciteitscentrales, machines in fabrieken of spoorbruggen, een zo groot mogelijke schade kon worden aangericht. Regelmatig gingen groepen leerlingen op excursie naar de haven van Rotterdam, waar zij in voorbereidende observaties leerden de juiste doelen te bepalen en welke soort en hoeveelheid springstof daarvoor het meest geschikt was. Binnen het afgesloten schoolterrein van park Zorgvliet werd geëxperimenteerd met allerlei Britse explosieven en tijdsvertragingen. De effecten hiervan op baksteen, hout, beton en staal werden uitgebreid bestudeerd. Ook kwam materiaal van Duits fabricaat aan bod, zoals gepantserd staal doorborende ‘holle ladingen’ en Italiaanse magneetbommen voor onder water.
Foto 02: notitieschrift van een leerling van de school
Bron: The National Archives, Kew
Tijdens de instructielessen sabotage werd het gebruik van Britse tijdvertragende ontstekers behandeld. Deze buitgemaakte time pencils, of pencil detonators, werden soms ten onrechte in het Nederlands aangeduid als vulpenbommen. Het betrof echter niet de bom zelf, maar een ontsteker gevuld met een chemische vloeistof die het metaal van een veer langzaam liet corroderen. Afhankelijk van de dikte van de veer kon de ontsteking van het explosief worden vertraagd.
De ontstekers waren voorzien van gekleurde ringen die de verschillende vertragingstijden aangaven. Op de Britse sabotagescholen leerden agenten dat deze ontstekers altijd in paren moesten worden gebruikt, omdat hun betrouwbaarheid enigszins onvoorspelbaar was. De vertragingstijden varieerden met het seizoen: in de zomer werkte het mechanisme anders dan in de winter bij koud weer. Of de leerlingen op spionageschool Zorgvliet hiervan op de hoogte werden gebracht valt niet op te maken uit de notities in het schrift. Om toch de juiste ontstekingstijden bij temperatuurverschillen te kunnen benaderen, voerden de leerlingen in het park ook proeven uit met de ontstekers onder water, dat kouder was dan de buitenlucht.
Financiering
Voor het inrichten en faciliteren van een in alle opzichten goed functionerend opleidingscentrum leek geld nauwelijks een rol te spelen. De totale bouwkosten, inclusief een buitenzwembad en een garage voor de eigen voertuigen van de school, bedroegen enkele tonnen. Omgerekend naar de huidige tijd komt dit neer op meerdere miljoenen euro’s. Er werden geavanceerde schietbanen aangelegd en een luxe ‘herenkamer’ ingericht, voorzien van kostbare betimmering, stoffering en meubilair. Andere uitgaven betroffen onder meer onderhouds- en loonkosten, levensmiddelen en technische apparatuur. Facturen in de archieven tonen voor tienduizenden guldens aan leveringen van onder meer schijnwerpers, boilers, koelkasten en een telefooncentrale.
Veel van de kosten werden, op bevel uit Berlijn, voorgeschoten door het bureau van de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD (BdS), waaronder de school administratief viel. Het budget dat periodiek door Rauter en het Reichskommissariat aan de BdS werd toegewezen, werd betaald uit de bezettingskosten die door de Nederlandse staat moesten worden afgedragen. Dit budget was onvoldoende om de vaak geheime activiteiten van de BdS, zoals de betaling van infiltranten of de financiering van de spionageschool, te bekostigen. De BdS vulde de tekorten aan met middelen uit geheime fondsen. Op basis van in het Bundesarchiv in Berlin-Lichterfelde aangetroffen documenten wordt in het boek over de spionageschool gereconstrueerd waar deze duistere geldstromen grotendeels vandaan kwamen.
Bewoners
Op basis van alle verhoorverslagen van bij de school betrokken personen die in Nederlandse en buitenlandse archieven zijn teruggevonden, kan het aantal opgeleide agenten worden geschat. In totaal zijn tussen mei 1943 en de sluiting van de school eind augustus 1944 naar schatting 200 tot 250 leerlingen opgeleid tot radiotelegrafist en/of sabotageagent.
Op het van de buitenwereld afgesloten schoolterrein bevonden zich gemiddeld zo’n honderd personen: leerlingen, instructeurs, leidinggevenden, administratief medewerkers, keuken- en huishoudelijk personeel en personeel met chauffeurs-, koeriers- en bewakingstaken. Ten slotte woonden er in een barak in het park een aantal politieke gevangenen die hielpen bij graaf- en opruimwerkzaamheden op het terrein.
De verschillen tussen de leerlingen waren groot, niet alleen vanwege hun verschillende nationaliteiten. Naast een groot aantal fanatieke nazi’s en opportunisten behoorde een gedeelte van de leerlingen tot de groep ‘gedwongenen’. Zo werden enkele islamitische vrijwilligers uit het Legion Freies Arabien, vanwege muiterij aan het Oostfront, op de school geplaatst. Na een opleiding konden zij zichzelf zuiveren door een gevaarlijke sabotagemissie in vijandelijk gebied uit te voeren.
Ook de meeste Nederlandse leerlingen hadden iets goed te maken met Duitsland. Het ging hoofdzakelijk om NSB’ers die hadden gestolen van de Wehrmacht, of bijvoorbeeld om twee Duitsgezinde politiefunctionarissen die van corruptie werden beschuldigd. Er werden zelfs twee ter dood veroordeelde Nederlandse verzetsstrijders op de school opgeleid. Zij konden hun leven terugverdienen door als spion voor Duitsland te gaan werken. Bij deze laatste twee bleef argwaan bestaan: als voormalige vijanden van Duitsland die waren overgelopen, waren zij immers slechts voor de helft betrouwbaar. Na de oorlog werden zij opnieuw gewantrouwd, ditmaal als ‘goede’ Nederlanders.
Foto 03: een uit het schoolterrein gesmokkeld briefje van de Nederlandse leerling Pieter Hulsman.
Bron: Nationaal Archief 2.09.09 Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR)
Citaat uit het eind augustus 1943 geschreven bericht aan zijn ouders:
‘Het zal namelijk noodzakelijk zijn, dat ik officieel voor de buitenwereld binnenkort word of ben gefusilleerd (misschien zal voor mijn naaste familieleden een hoge uitzondering gemaakt kunnen worden maar voor niemand anders). Waarschuw hiervoor ook (…) als hij eventueel iets mocht weten. Verbrandt brief. Ik kom niet in Holland, Duitsland, Rusland of die richting te werken. Zeer veel intelligentie van mij verlangd. Alles safe. Ouwe jongens!’
Als ter dood veroordeeld verzetsman zou Hulsman voor de schijn geëxecuteerd worden, maar in werkelijkheid onder een andere identiteit verder leven in het buitenland, als spion voor Duitsland. Ondanks dat hij erom vroeg, werd dit geheime bericht niet door zijn ouders verbrand. Na de oorlog werd het briefje aan zijn dossier toegevoegd.
Anders dan de meeste leerlingen waren de instructeurs en andere leden van de schoolstaf fanatieke nazi’s. Het ging om Duitsers, maar vooral om Nederlanders, van wie de meesten afkomstig waren uit de Waffen-SS. Zij waren aan het Oostfront gewond geraakt en voor verdere frontdienst afgekeurd. Ook het overige personeel, zoals secretaresses, een tuinman, huishoudsters en keukenpersoneel, bestond over het algemeen uit Nederlanders. De school werd bewaakt door Nederlandse, Duitse en Roemeense SS-leden. De Roemenen kregen intussen een opleiding in sabotage.
Een tiental Nederlandse politieke gevangenen werd ingezet voor werkzaamheden op het schoolterrein. Als bijkomende taak moesten zij de leerlingen en het personeel in de gaten houden en overtredingen of afgeluisterde gesprekken aan de schoolleiding doorgeven. Daardoor werden hun leefomstandigheden geleidelijk beter. Voor het verklikken of juist het verzwijgen van informatie kregen zij sigaretten, extra voedsel en hulp bij het naar buiten smokkelen van pakjes en berichten voor familieleden. Twee van de gevangenen wisten op een bijzondere manier te ontsnappen uit het ommuurde en zwaar bewaakte park. Nadat de school was geëvacueerd, verdwenen de overgebleven gevangenen naar concentratiekampen in Duitsland, waar zij allen stierven. Zij wisten te veel.
Veel verhoorrapporten van betrokkenen geven niet alleen een goed beeld van de opleidingsprogramma’s, maar maken ook een nauwkeurige reconstructie van het leven op de school mogelijk. Afgesloten van de realiteit en de oorlog was het leven daar in bepaalde opzichten beter dan daarbuiten. Het lesprogramma was zwaar, maar er was voedsel in overvloed en ’s-avonds kwamen leerlingen en stafleden in de kantine bijeen, waar werd gefeest en gedronken. Men maakte samen muziek, haalde grappen met elkaar uit en er werd veel gelachen. Tegelijk vonden er vechtpartijen plaats en ontstonden intriges. Niemand kon elkaar vertrouwen.