De grootmoefti van Jeruzalem en de Sicherheitsdienst
Tussen mei 1943 en september 1944 bevond zich in en naast het park Zorgvliet in Den Haag een geheime school van de Duitse politieke inlichtingendienst, de Sicherheitsdienst. Op deze opleiding in spionage, sabotage en radiotelegrafie kreeg een internationaal gezelschap van leerlingen les. Zij waren afkomstig uit Nederland, België, Frankrijk, Italië, Duitsland en uit landen in Oost-Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Zelfs enkele Zwitsers, een Ier en een Amerikaan werden op de school getraind. Het onderwijs werd grotendeels verzorgd door Nederlandse instructeurs die hadden gediend bij de Waffen-SS. Zij waren aan het Oostfront in Rusland gewond geraakt en, na afgekeurd te zijn voor verdere frontdienst, ingezet om de leerlingen te trainen in radiotelegrafie, gevechtstechnieken en het omgaan met explosieven. In meerdere groepen werden mannen uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten opgeleid in een samenwerkingsverband tussen de Duitse buitenlandse geheime dienst en Amin al-Hoesseini, de naar nazi-Duitsland gevluchte grootmoefti van Jeruzalem.
Doel van de grootmoefti van Jeruzalem
De islamitische leider wilde bereiken dat Palestina, Libanon, Syrië en Irak één grote verenigde Arabische staat zouden vormen. Palestina moest volledig Arabisch worden, zonder plaats voor de Joodse bevolking. Al sinds 1917 werkte de Britse regering mee aan de vorming van een ‘National Home for the Jewish people’, dat na de Eerste Wereldoorlog werd gevestigd in het toen onder Brits bestuur staande Palestina. De grootmoefti van Jeruzalem was een fel tegenstander van de massale Joodse emigratie naar Palestina. In de jaren twintig en dertig was hij de belangrijkste aanjager van gewelddadig verzet tegen zowel Joden als Britten in het gebied.
In 1937 ontvluchtte hij Palestina. Via omwegen kwam hij enkele jaren later in het fascistische Italië terecht. In november 1941 kreeg de islamitische leider een officiële ontvangst bij Hitler in Berlijn. Terwijl hij deels in Italië en deels in Duitsland verbleef, zette hij zijn anti-Britse en anti-Joodse activiteiten voort. Hij bouwde nauwe banden op met Reichsführer-SS Himmler en de Waffen-SS. Vanaf de zomer van 1943 vestigde hij zich in Duitsland en ontstond een hechte samenwerking tussen hem en Walter Schellenberg, het hoofd van de politieke inlichtingendienst ‘Buitenland’ van de Sicherheitsdienst.
Volledig beheerst door haat zag de grootmoefti zichzelf als de organisator van de vergelding tegen de Joodse bevolking in Palestina door de verenigde Arabische wereld. Hij wilde daarmee de Joden wereldwijd dwingen hun toenemende invloed op Palestina op te geven. Volgens hem was het Britse gezag in Palestina niet op vreedzame wijze te bewegen om haar beleid te veranderen en het Arabische volk te beschermen tegen de Joodse aanwezigheid. Als krachtig instrument tegen deze ontwikkeling zette de grootmoefti, met steun van nazi-Duitsland, een beweging op die hulp en wapens stuurde om onder de Arabische bevolking gewapend verzet te organiseren, niet alleen tegen de Joden in Palestina, maar ook tegen de Britse overheersing in de gehele Arabische wereld.
Opleiding op de spionageschool in Den Haag
In juli 1943 arriveerde een eerste groep van vijftien ‘Arabische leerlingen’ op de spionage- en sabotageschool in Den Haag. Na twee weken werd deze groep afgelost door een tweede lichting. Het lesprogramma bestond uit schieten, paardrijden, fietsen, motorrijden en diverse sportactiviteiten. Enkele groepsleden kregen daarnaast les in radiotelegrafie. De school was op dat moment nog niet volledig ingericht, waardoor er nauwelijks onderwijs in het gebruik van explosieven werd gegeven. Geschikte instructeurs ontbraken nog. Eind augustus bracht de grootmoefti een inspectiebezoek aan de school. In september 1943 arriveerde een volgende groep van ongeveer vijftien mannen. Het lesprogramma werd toen uitgebreid met instructie in het maken van boobytraps en oefeningen in straatgevechten. Bij de gevechtstraining werd vooral gebruikgemaakt van Britse explosieven en pistoolmitrailleurs. In november 1943 volgde opnieuw de plaatsing van een Arabische groep. Sommige leerlingen die eerder waren opgeleid in radiotelegrafie keerden in 1944 terug voor vervolgcursussen. Tijdens deze lessen lag de nadruk op radiotechniek en langeafstandstransmissie, waarbij men oefende in het leggen van radioverbindingen met Berlijn en Egypte. Tot in de zomer van 1944 werden voortdurend groepen mannen, met name uit Egypte en Irak, opgeleid in sabotage.
Aantal opgeleide leerlingen
Naar schatting kregen in 1943 meer dan zestig mannen uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika een opleiding op A-Schule West. Ook in 1944 werd, tot aan de sluiting van de school, een vergelijkbaar aantal mannen uit deze regio’s onderwezen in sabotage en radiotelegrafie. Een personeelslid verklaarde na de oorlog dat het de bedoeling was geweest om op de school ongeveer 150 ‘Arabieren’ op te leiden. Tijdens ondervragingen in 1945 stelde het gearresteerde hoofd van Amt VI, zoals de Duitse buitenlandse inlichtingendienst ook werd genoemd, dat het om twintig tot dertig mannen ging die in het geheim op de school in Den Haag werden opgeleid en bestemd waren voor een operatie in Palestina. Daarbij had hij het niet over de groepen die naar andere landen in het Midden-Oosten zouden worden gestuurd. Ook de voormalig commandant van de school wijdde na de oorlog uit over de geheime opleiding van Amt VI in Den Haag: ‘In 1944 werden door bemiddeling van de grootmoefti zestig Arabieren op de school geplaatst die opgeleid werden als commandotroepen.’ De meeste leerlingen kregen uitsluitend training in sabotage, terwijl een kleiner aantal les kreeg in radiotelegrafie. Een instructeur schatte tijdens verhoren na de oorlog dat meer dan dertig Arabische mannen radiotelegrafie hadden geleerd. Sommigen van hen kwamen terug voor een vervolgcursus. Het totale aantal leerlingen met een islamitische achtergrond bedroeg tussen de 100 en 150. Niet iedereen had banden met de grootmoefti of zijn gevechtstroepen. Een grote groep was bestemd voor inzet in missies die door Amt VI in Frankrijk werden opgezet.
Aantal uitgezonden leerlingen
Van vier op Agentenschule West opgeleide mannen kan met zekerheid worden aangetoond dat zij werden ingezet voor missies in het Midden-Oosten. Een opgeleide radiotelegrafist werd in september 1944 in Turkije gearresteerd terwijl hij op doorreis was naar Damascus, waar hij deel zou gaan uitmaken van een inlichtingennetwerk in dienst van de Duitse geheime dienst en de grootmoefti. Een andere leerling van de school werd als lid van de ‘Atlas-missie’ nabij Jericho gedropt. Tenminste twee van de vier leden van de ‘Tal Afar-missie’, die in november 1944 boven Noord-Irak werden geparachuteerd, waren eveneens opgeleid in Den Haag. Deze drie missies mislukten, omdat vrijwel alle leden snel werden gearresteerd. Nog meer in Den Haag opgeleide mannen zouden worden ingezet in vervolgmissies naar Irak, Palestina, Egypte en het noordwesten van Afrika, maar voor zover bekend zijn deze missies nooit uitgevoerd.
Doelen van de missie in Palestina
Vanuit Palestina moest de Atlas-groep radiocontact onderhouden met het hoofdkwartier in Duitsland om informatie over de politieke en militaire situatie in het gebied door te geven. Onder de Palestijnse bevolking zouden gevechtsgroepen worden gevormd en bewapend. Deze bendes moesten worden voorbereid en geleid in guerrilla- en sabotageactiviteiten. Daarnaast moest passief verzet onder de bevolking worden aangemoedigd. Bij het kiezen van militaire doelen werd gestreefd naar het veroorzaken van de grootst mogelijke schade bij alle vijanden: de Joden, de Britten, de Fransen en de Amerikanen. Politieke doelstellingen waren de vorming van een grote Arabische vrijheidsbeweging onder een verenigd Arabisch leiderschap en het verspreiden van pro-Duitse propaganda onder de Arabische bevolking.
Verloop van de missie
Voor het droppen van de vijf parachutisten werd een buitgemaakte en gerepareerde Amerikaanse B-17 bommenwerper ingezet. In etappes vloog het vliegtuig vanuit Duitsland naar een Grieks eiland, en van daaruit vertrok de Duitse Flying Fortress in de nacht van 5 op 6 oktober 1944 naar een vooraf uitgekozen zoutvlakte in de Jordaanvallei, ongeveer vijftien kilometer noordoostelijk van Jericho. De groep werd van te grote hoogte afgeworpen en door sterke wind kwamen de mannen en hun bagage ver verspreid op de grond terecht. Het duurde enkele dagen voordat ze elkaar terugvonden. Intussen waren de Britse autoriteiten naar hen op zoek en was het merendeel van de bagage in Britse handen gekomen. Anderhalve week na de landing werden drie leden van de missie in Wadi Qelt, westelijk van Jericho, gearresteerd. Twee anderen, een Duitser en een Palestijn, bleven spoorloos.
Foto 01: de agenten van de Atlas-missie werden boven Palestina afgeworpen vanuit een B-17 ‘Flying Fortress’.
Bron: Privécollectie W. Lagas
De transportvlucht werd uitgevoerd door een speciaal onderdeel van de Luftwaffe, het Kampfgeschader 200. Dit KG 200 beschikte over meerdere op de geallieerden buitgemaakte vliegtuigen, waaronder enkele Amerikaanse B-17 bommenwerpers.
Vergiftiging van de Joodse bevolking als doel?
Door enkele journalisten en historici is gesuggereerd dat een van de doelen van de Atlas-missie het vergiftigen van drinkwatervoorzieningen van Joodse gemeenschappen zou zijn geweest. Volgens andere historici is tot nu toe geen betrouwbaar bronmateriaal gevonden dat deze bewering ondersteunt. Zoals de grootmoefti ooit zelf opmerkte: ‘Kranten beweerden altijd meer van iemands plannen te weten dan degene zelf.’ Als meest origineel onderzoeksmateriaal over de Atlas-missie gelden de rapporten waarin de verhoren van de gearresteerde missie-leden door Britse ondervragingsexperts zijn vastgelegd. Het grootste gedeelte van dit materiaal is door de Britse geheime dienst overgedragen aan The National Archives, waar het bestudeerd kan worden. Honderden openbaar gemaakte documenten over de grootmoefti en de Atlas-missie zijn ook online in te zien. Uit deze bronnen blijkt onder andere waaruit de grotendeels teruggevonden uitrusting van de missie bestond: ‘De bagage omvatte onder andere sabotagemateriaal en een hoeveelheid arseenoxide voor vergiftiging.’ In al dit archiefmateriaal is echter nergens te vinden dat er concrete plannen waren voor een massale vergiftiging van de Joodse bevolking. Bewijs daarvoor ontbreekt nog steeds. Wel kan worden vastgesteld dat het vermeende vergiftigingsplan nooit is uitgevoerd.
Foto 02: één van de op de spionageschool in Den Haag opgeleide leden van de Atlas-missie, vlak na zijn arrestatie in oktober 1944.
Bron: The National Archives, Kew
Opstandleider in Palestina
Een van de spoorloos verdwenen missieleden was de Palestijn Hasan Salama, die in de jaren dertig leiding had gegeven aan opstanden in het Britse Mandaatgebied Palestina. Hij ontvluchtte het land en reisde later met de grootmoefti mee naar nazi-Duitsland. Als lid van de Atlas-missie keerde hij terug in Palestina en bleef hij voor de Britse autoriteiten onvindbaar. Opnieuw zou hij een leidende rol in gewelddadigheden spelen en in 1948 kwam hij tijdens gevechten om het leven. Er bestaan aannames dat Salama een opleiding op Agentenschule West zou hebben gehad. Tijdens de missie gebruikte hij de schuilnaam Abu Ali. Volgens verhoorverslagen van enkele in 1944 gearresteerde Belgische leerlingen liep er inderdaad een Abu Ali op de school rond. Echter, de uiterlijke kenmerken van Salama kwamen niet overeen met die van de figuur op de school in Den Haag die deze naam gebruikte en schijnbaar Salama moest zijn. Nederlandstalige verhoorrapportages van twee Nederlandse instructeurs van de school, die in 2025 door het Nationaal Archief in Den Haag openbaar zijn gemaakt, bevestigen dat deze Abu Ali nooit Salama kon zijn geweest. De Abu Ali op de school was een Irakees, met andere uiterlijke kenmerken, en zijn echte naam was Rasoul. Hij nam in november 1944 deel aan de missie naar Tal Afar in Noord-Irak. Dit sluit echter niet uit dat Salama op de spionageschool in Den Haag aanwezig is geweest, misschien onder een andere schuilnaam. Bewijs daarvoor ontbreekt echter.
Laatste groep
In mei 1945 zou nog een groep naar het Midden-Oosten vertrekken, waar een leerling van A-Schule West deel van uitmaakte. Het was de groep waarin de grootmoefti zelf ook zou meekomen. Na de capitulatie van Duitsland wilde de religieuze leider met zijn gevolg naar Zwitserland vluchten, mogelijk met de bedoeling van daaruit door te reizen naar Egypte. Bij de militaire autoriteiten van de Verenigde Staten in bezet Zuid-Duitsland verzocht de grootmoefti bescherming voor zichzelf en vijftien ‘Arabische vluchtelingen die hun land van herkomst hadden moeten verlaten om politieke redenen’. Op de namenlijst staan de voor- en achternaam van een persoon die overeenkomen met die van een leerling die op de school in Den Haag had gezeten. De Zwitserse autoriteiten weigerden de grootmoefti en zijn gevolg toegang tot het land en stuurden hen terug naar de Franse bezettingszone van Duitsland. Op bevel van de Franse regering werd de grootmoefti in de buurt van Parijs onder huisarrest geplaatst. Een jaar later schoor hij zijn baard af en vermomd in een maatpak wist hij alsnog naar Egypte te vluchten, waar hem politiek asiel werd verleend. Simon Wiesenthal, de bekende nazi-jager, schreef in 1947: ‘Terwijl zijn baard opnieuw aangroeide, begon de grootmoefti ook zijn oude taken weer op te pakken.’ Volgens Wiesenthal was er geen scherp politiek inzicht nodig om te voorspellen wat de grootmoefti en zijn medestanders in de toekomst van plan waren. Inmiddels waren de meeste op A-Schule West opgeleide Arabische mannen vermoedelijk per schip over de Middellandse Zee teruggekeerd naar hun thuislanden: Algerije, Tunesië, Egypte, Syrië en Palestina. Hoeveel het er precies waren en wie ze waren, is nooit achterhaald.
Mogelijk zesde lid Atlas-missie
Eind 1944 kreeg de Britse inlichtingendienst tijdens de verhoren van de drie opgepakte ‘Atlas-leden’ het vermoeden dat er niet vijf, maar zes mannen boven de Jordaanvallei waren geparachuteerd. De voor- en achternaam van deze mogelijk zesde man werden achterhaald en er kon vastgesteld worden dat hij een opleiding had genoten op de school in Den Haag. Het is nooit opgehelderd hoe hij was teruggekeerd naar zijn land, maar dezelfde man was terug en trainde Palestijnen in het omgaan met explosieven. Dit leidde onder andere in februari 1948 tot een grote bomaanslag in Ben Yehuda Street in Jeruzalem, waarbij meer dan vijftig mensen omkwamen en honderden gewonden raakten.
Begin september 1944 werd de Agentenschule West geëvacueerd naar de Heimat, en in 1945 bestond nazi-Duitsland niet meer. Drie jaar later werden in Jeruzalem en in de in 1948 opgerichte staat Israël aanslagen uitgevoerd, georganiseerd met hulp van iemand die in 1944 op de spionage- en sabotageschool van de Sicherheitsdienst in Den Haag was opgeleid. Jaren later vluchtte hij naar Syrië en stierf in 1988 in Damascus als gevolg van een explosie.